Een beetje geschiedenis van de buurtschap waaraan de nering zijn naam ontleent.

In Ouderkerk waren er in de zeventiende eeuw in ieder geval twee bierbeschooierijen. De ene grossierderij stond aan het water achter het huidige Rehoboth; de andere er vlakbij de plek waar nu de hervormde pastorie staat. Geen wonder dat zij later in één hand kwamen en als één bedrijf verder gingen.

In 1670 werd er verklaard dat er in Ouder-Amstel, tussen Ouderkerk en Nessersluis, vier bierbeschooierijen waren: twee in Ouderkerk nabij de kerk, één tegenover de Weteringbrug en één in de omgeving van Nesser of Bijleveldse sluis. Over het bedrijf in Nessersluis weten wij niets, maar over de andere genoemde biernering valt wel het een en ander te vertellen. Dat komt hierna aan de orde. De "bierstekerij" achter Rehoboth had de oudste papieren, want daar moet omstreeks het jaar 1600

het bedrijf uitgeoefend zijn. Het is in het gebouw dat soms met de naam “klooster” werd aangeduid. In de jaren vijftig van de zeventiende eeuw lag de nering enige tijd stil tot Annetien Cornelis, weduwe van Pieter Barendsen in 1669 opnieuw begon. Zij deed dit samen met de plaatselijke chirurgijn Engel Eggeraat, echter zonder de vereiste vergunning van de provincie, die met het vergunningstelsel belastingontduiking wilde voorkomen. Nu het noodzakelijk papier ontbrak, zagen de schout en de gerechtsbode van Ouder-Amstel zich genoodzaakt het aanwezige bier in beslag te nemen zulks tot woede van Eggeraat. In 1669 wellicht ook eerder exploiteerde Elsien Claas, weduwe van Roelof Hendriksen de al genoemde bierbeschooierij aan de Ronde Hoep West tegenover de buurtschap Weteringbrug, thans de Zwarte Kat geheten.Deze onderneming moet ongeveer gelegen hebben ter hoogte van Ronde Hoep West 47 of  48. Daarvan is nu, na ruim drie eeuwen niets meer terug te vinden. Maar toch! Toen in de warme zomer van 1941 een groepje jongens in de Amstel zwom ( aan de ouderamstelse zijde ), zei men dat het daar “bierstal”  heette . De plek was aantrekkelijk omdat de Amstel daar ondiep en zandig was.Niemand begreep deze aanduiding, maar iedereen wist welke plek werd bedoeld. Nu is het wel duidelijk. Men kan zich er over verbazen dat het collectieve volksgeheugen zo’n lange periode weet te overbruggen. Waarschijnlijk wijst de aanwezigheid van die zandige ondiepte op een paardenwed, de plek waar paarden konden worden gedrenkt.
Ongeveer een eeuw later werd op het land achter Ronde Hoep West 49 de kruitmolen genaamd ”De Sollenburg” gevestigd. Misschien heeft de aanwezigheid van een geschikte laad 

-en losplaats van de voormalige bierstal een rol gespeeld bij de keuze van deze vestigingsplaats.

Het verdient opmerking dat aan de Ouderkerkse kant van “de bierstal” een flink stuk buitendijks land ligt en dat komt elders langs de Amstel zelden voor. Elzien Claas zal leiding gegeven hebben aan een bescheiden nering. Tegenover haar bedrijf, aan de Amstelveense kant van de Amstel stond het café,”De Kat”. Deze tapperij was voor 1646 in handen van Claes Hendriksz. Brug, maar deze verkocht de zaak in maart van dat jaar aan Gerrit Willemsz. Kat afkomstig uit Kudelstaart. Deze had een stiefzoon, die later in de stukken Hendrik Aertsz. Versluijs alias Kat wordt genoemd. Deze Hendrik zette de nering voort na de dood van zijn stiefvader, waarschijnlijk omstreeks 1665. In 1668 is deze man ook belastinggaarder voor het accijns op bieren, wijnen, meel en azijnen in Amstelland. Het aangevoerde bier mocht pas gelost worden nadat de belasting was voldaan. Voor overbuurvrouw Elsien was dat eenvoudig. Zij behoefde maar even naar de overkant te roeien om het belastingbedrag te betalen.

Mischien had ze daarom die plek wel gekozen voor haar bedrijfje.

Toen er in 1668 een schip met Rotterdams bier voor de wal lag liep het echter mis. Hendrik wilde het belastinggeld niet in ontvangst nemen. Hendrik was neringziek; hij wilde dat Elsien bier van hem betrok. Als gevolg van deze weigering zou het afladen van het bier dus onwettig worden. In oktober 1669 lukte het opnieuw niet, maar werden Elsien en ook anderen verwezen naar de al genoemde bierbeschooierij van Engel Eggeraat te Ouderkerk. Men moest daar maar inkopen. De relatie tussen Kat en Eggeraat is niet nader aan te geven, maar het ligt voor de hand dat beide heren terzake een afspraak hadden gemaakt die hen financieel voordeel zou bieden. De ontevredenen lieten het er niet bij zitten en dat moet tot gevolg gehad hebben dat Kat zijn overheidsbaantje kwijt raakte. Wie met bedenkelijke methoden een betere boterham denkt te verdienen, zit financieel niet ruim in zijn jas. Maar zie , in 1674 en 1675 mag Hendrik Kat opnieuw optreden bij het innen van de impost op bieren, wijnen, meel en azijnen van de kalkoven fa op beide zijden van de Amstel tot aan de Rode Paal en de Waverbanken, de Rijke Waver tot aan de Stoppelaarsbrug. In 1676 had Hendrik Kat een schuld van F 600,-. Dat was niet verontrustend, ook al omdat er eigendommen tegenover stonden. Maar zijn schulden liepen op. Vanaf 1686 ging het duidelijk bergafwaarts. Hendrik was f. 860,- schuldig aan Jan Rootcamer wegens gekocht bier en nog eens f. 1500,- aan Jan Lorensz. Bloem. Hij gaf daarvoor 10 mad land en twee huisjes in onderpand. In 1688 vreesde het bestuur van de Bovenkerkerpolder dat Kat zijn jaarlijks verschuldigd molengeld niet zou kunnen betalen. Tot zekerheid gaf hij opnieuw een stuk land in onderpand. Een jaar later ging de herberg de Kat en het naastgelegen huisje annex scheepmakerij over in handen van Hendrik van Leeuwen. Na verrekening was Kat nog f. 800,- schuldig aan de koper! In 1693 is er sprake van de insolvente boedel van H.A.Kat. Hij is dan failliet of liet bij zijn dood meer schulden achter dan bezittingen. We zouden graag weten of Elsien Claas de ondergang van Hendrik  met leedvermaak aanschouwde, maar haar naam dook op in de akten om daarna voorgoed te verdwijnen in de anonimiteit. Bij Kat ligt dat anders, want hij heeft zijn naam gegeven aan een buurtschap die nog bestaat.

P. van Schaik

“Uit speuren en ontdekken in de historie van Ouder-Amstel”